
Jurisprudentie
AD9955
Datum uitspraak2002-04-16
Datum gepubliceerd2002-05-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00529/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-05-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00529/01
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Nr. 00529/01
Mr Jörg
Zitting: 26 februari 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door de rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 9 mei 2000 wegens - kort gezegd - het als kentekenhouder niet hebben gesloten en in stand gehouden hebben van een verzekering op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen-, veroordeeld tot een geldboete van fl. 660,- subsidiair 13 dagen hechtenis.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Ambtshalve vraag ik evenwel de aandacht voor het volgende.
3. De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2000 is op 12 april 2000 uitgereikt ter griffie van de rechtbank te Amsterdam, omdat van verzoeker "geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". Bij het instellen van hoger beroep op 30 juni 1999 heeft verzoeker evenwel in de appèlakte het adres [a-straat 1] I, [...] [woonplaats 2], laten opnemen. Uit het aan de dagvaarding in hoger beroep gehechte GBA-overzicht van 6 april 2000 kan worden afgeleid dat verzoeker per 27 oktober 1997 niet meer in de GBA stond ingeschreven. (1)
4. Aangezien het in de appèlakte opgenomen adres is opgegeven nadat verzoeker was uitgeschreven uit de GBA, had het adres in de appèlakte in beginsel als zijn bekende woon- of verblijfplaats dienen te worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt niet van enige poging tot betekening op het in de appèlakte opgegeven adres. Alvorens akkoord te gaan met een betekening zonder bekende woon- of verblijfplaats had het hof dus dienen vast te stellen dat het in de appèlakte opgenomen adres niet als verzoekers bekende woon- of verblijfplaats had te gelden. Het in de uitspraak besloten liggende oordeel dat de appèldagvaarding rechtsgeldig is betekend is derhalve niet zonder meer begrijpelijk (vgl. HR 8 december 1998, 108.392 en HR 25 september 2001, JOL 2001, 523).
5. Gezien de nu volgende opmerkingen over de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg is hetgeen ten aanzien van de appèldagvaarding is opgemerkt ten overvloede. Bij de stukken bevindt zich een dagvaarding voor de terechtzitting van de kantonrechter te Hilversum op 26 juni 1998. Deze dagvaarding heeft men getracht uit te reiken op het adres dat verzoeker als zijn postadres bij een telefonisch contact bij de politie had opgegeven: [a-straat 1] I hoog, [...] [woonplaats 2]. De betreffende dagvaarding is bij aanbieding op 7 mei 1998 niet uitgereikt omdat, volgens mededeling van degene die zich aldaar bevond, verzoeker daar niet woonde of verbleef. De dagvaarding is blijkens de akte van uitreiking dezelfde dag geretourneerd aan het parket te Amsterdam. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt wat vervolgens met deze dagvaarding is geschied. Van een voortgang van het betekeningstraject blijkt niet.
6. Ten onrechte is het betekeningstraject op het adres [a-straat 1] I hoog, [...] [woonplaats 2] niet afgemaakt en is een tweede dagvaarding - tegen een andere zitting - uitgebracht. Deze tweede dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 30 oktober 1998 is op 23 september 1998 uitgereikt ter griffie van de rechtbank te Amsterdam, omdat verzoeker zonder bekende woon- of verblijfplaats was. Zonder dat blijkt van een rechtsgeldig betekeningstraject op het door verzoeker bij de politie opgegeven postadres, kan niet tot de conclusie worden gekomen dat verzoeker terecht zonder bekende woon- of verblijfplaats is aangemerkt (vgl. HR 3 juli 2001, NJ 2001, 532). Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend, is derhalve onbegrijpelijk. De Hoge Raad zal de inleidende dagvaarding alsnog nietig kunnen verklaren.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de kantonrechter is vernietigd, en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Ten onrechte is een adresverificatie op de dag van de betekening aan de griffier achterwege gebleven, maar hier val ik niet over, aangezien uit de adresverificatie in cassatie blijkt dat verzoeker destijds inderdaad geen adresvermelding in de GBA had.
Uitspraak
16 april 2002
Strafkamer
nr. 00529/01
EW/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 9 mei 2000, nummer 13/801451-97, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats 1].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Hilversum van 30 oktober 1998 - de verdachte ter zake van "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 660,--, subsidiair dertien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Kantonrechter is vernietigd en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.1.1. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van de politie District Gooi- en Vechtstreek/Hilversum, van 16 oktober 1997 met de weergave van een telefonisch verhoor van de verdachte, inhoudende voorzover hier van belang:
"[Verdachte] is momenteel woonachtig in [woonplaats 2] en hij geeft als postadres het adres van zijn moeder. Dit adres is [a-straat 1] 1 hoog, [...] te [woonplaats 2]."
3.1.2. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de Kantonrechter van 26 juni 1998 houdt in dat die dagvaarding op 7 mei 1998 is aangeboden op het adres [a-straat 1]/1 te [woonplaats 2], maar niet is uitgereikt omdat volgens de mededeling van degene die zich op dat adres bevond, "de geadresseerde daar niet woont noch verblijft".
3.1.3. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de Kantonrechter van 30 oktober 1998 houdt in dat die dagvaarding op 23 september 1998 is uitgereikt aan de (waarnemend) Griffier van de Rechtbank te Amsterdam omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".
Deze akte houdt in dat de dagvaarding op 6 augustus 1998 is aangeboden aan het adres [b-straat 1] te [woonplaats 3], doch aldaar niet kon worden uitgereikt omdat op dit adres niemand werd aangetroffen. Aldaar is een bericht van aankomst achtergelaten waarin is vermeld dat de brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kan worden afgehaald op het daarin genoemde postkantoor of politiebureau. De akte houdt verder in dat op 14 augustus 1998 de brief is teruggezonden aan de afzender.
Aan de akte van uitreiking is gehecht een afschrift van 26 augustus 1998 van een uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [woonplaats 3] waarin staat vermeld dat de verdachte op 23 juni 1994 is vertrokken naar de gemeente [woonplaats 4] alsmede een afschrift van 16 september 1998 van een uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [woonplaats 4] waarin staat vermeld dat de verdachte op 27 oktober 1997 uit die gemeente is vertrokken "naar Onbekend".
Op de akte staat geschreven:"23/9-98 Niet gedetineerd volgens Vips".
3.1.4. Blijkens de aantekening mondeling vonnis van 30 oktober 1998 is de verdachte in eerste aanleg niet ter terechtzitting verschenen en is door de Kantonrechter verstek tegen hem verleend.
3.2. De Kantonrechter heeft kennelijk de hiervoor onder 3.1.3 aangeduide betekening door middel van uitreiking op de voet van art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv aan de Griffier van de Rechtbank geldig geoordeeld, omdat hier geen sprake was van een bekende feitelijke woon- of verblijfplaats. Dat oordeel is gelet op het hiervoor onder 3.1.1 tot en met 3.1.3 overwogene niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de uitreiking aan het opgegeven adres niet is gelukt omdat de bewoner meedeelde dat de verdachte toen aldaar niet woonde of verbleef.
3.3.1. De akte rechtsmiddel houdt in dat de verdachte op 30 juni 1999 ter griffie van het Kantongerecht te Hilversum is verschenen en aldaar bij het instellen van het hoger beroep als adres heeft opgegeven: "[a-straat 1] I, [...] [woonplaats 2]."
3.3.2. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2000, houdt in dat die dagvaarding op 12 april 2000 is uitgereikt aan de (waarnemend) Griffier van de Rechtbank Amsterdam omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is."
3.3.3. De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen.
3.4. Nu de stukken niets inhouden waaruit kan volgen dat is getracht de appèldagvaarding uit te reiken aan het door de verdachte in de akte hoger beroep opgegeven adres en deze evenmin inhouden waarom zulks niet is geschied, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de verdachte ook ten tijde van de betekening van de appèldagvaarding geen feitelijke woon- of verblijfplaats had en dat de appèldagvaarding op de juiste wijze is betekend, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor onder 3.3 en 3.4 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal de appèldagvaarding nietig verklaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 16 april 2002.

